Een stekende pijn in m’n bovenste nekwervels zal het komende verhaal ontdoen van lengte, hopelijk niet in kwaliteit. Ik moet bijna bukken om het beeldscherm te zien. Starlover van Rene Breithbarth in m’n koptelefoon probeert de 13 in een dozijn Zuidamerikaanse smartlappen muziek die achter me uit de speakers knalt te overstemmen, maar door de minimale eigenschappen van dit nummer wil het niet echt lukken. Ik schakel over op een andere internet muziekzender, welke wat meer geluid produceert. Een vage trance-lounge achtige muziek, met water en vogel geluiden, neemt me mee terug naar de afgelopen week, waarin Bolivia werd aangedaan..
Bolivia
De laatste avond in Bolivia, in een plaatsje genaamd Copacabana, gelegen aan het hoogste grote meer ter wereld, Lago Titikaka, heb ik voor het eerst de prachtige verfilming gezien van de reis die Ché Guevara met vriend Alberto Granado door dit continent maakte. Een grappige film met ontroerende beelden over het leven in Zuid Amerika en haar prachtige natuur. Ernesto (Ché) Guevara schijnt door deze reis zo bewogen te zijn geweest, zo onder de indruk van al het ongelijk en onrecht, dat hij veranderde in een idealist, een idealist die al vechtend zijn doel probeerde te bereiken. In Afrika en Bolivia vocht hij aan de kant van de communisten, die hun inmiddels bijna vergeten ideologie probeerden te verwezenlijken. Sommige mensen raken gefascineerd door de ongelijkheid die er is, altijd is geweest en altijd zal zijn en dragen hun steentje bij door vrijwilligerswerk te doen, geld te storten of te vechten in onbekende landen voor een onbekend volk tegen een onoverwinnelijke vijand. Anderen raken moedeloos van alle armoede, arme oma’s op straat, bedelende vieze kinderen, pus lopend uit ontstoken ogen, en laten het voornemen varen om een aalmoesje ter schenken aan een ieder die het nodig schijnt te hebben. Na kennis gemaakt te hebben met armoede in Argentinië en in mindere mate Chili, werd de indruk die werd opgeroepen door dit begrip ruimschoots vertienvoudigd tijdens m’n reis door Bolivia. Bolivia, een land waar vooral de armoede floreert, in het verleden geteisterd door velen oorlogen en meer dan gehalveerd door landroof door de 5 omliggende landen. Vooral het inpikken van het rijke stuk land wat nu de noordelijke regionen van Chili maakt, het stuk land dat Bolivia vroeger met de zee verbond, ligt nog zwaar op de maag bij veel Bolivianen en niets dan haat, ook vanuit hogere politieke kringen, gaat uit richting mijn eerdere gastland.
Zoals je al had kunnen lezen ben ik gestopt met het geven van aalmoezen, het zou mij vroegtijdig failliet hebben gemaakt en daarnaast wil ik iedereen gelijk behandelen. Voortaan alleen maar geld uitgeven aan mensen die iets anders te bieden hebben behalve een dankbare blik. Toch raar, als het meevalt, of virtually non-existent is, ben je eerder geneigd om een arme ziel in landschap van rijkdom en zorg te voorzien van een bijdrage, proberend dit puistje ongeluk uit te vlakken naar die stijgende rechte lijn die de economie van de rijkere landen voorstelt. Dan reis je opeens in Bolivia, waar arm zijn eerder regel dan uitzondering is en dan neem je genoegen met een landschap van bergen onverzorgde, ongelukkige mensen, de hoop in hun ogen verscholen achter de rits van m’n portemonnee, een landschap van een volk dat zich schaamt, jaloers is, op de bodem van de oceaan leeft, snakkend naar adem, de rechte opwaartse lijn een neerwaartse spiraal. Toch heeft dit land mij veel geboden, de week dat ik er was.
San Pedro – Uyuni
Nadat we Chile verlaten hadden in wat brakke jeep, begon hoofdpijn en lusteloosheid aan me te vreten naarmate we hoger gingen, richting onze overnachting die op 4900 meter in een onverwarmde bunker, zonder stromend water of ander luxe. Aangekomen bij dit toch wel bewoonbare oord (er leefden mensen, waarvan is nog een raadsel, het zal wel een eeuwenoud Indianengeheim zijn), kon ik niets meer dan op bed liggen. Elke stap was ook echt te veel en dit weerhield me ervan om de mooie zonsondergang over het meer te zien en mee te kunnen doen aan het groepsspel..
De volgende ochtend vroeg, na een wat moeizame nacht, gooide ik de 8 dekens van me af en liep naar buiten, waar de net opgekomen zon enige warmte bood, ik had m’n kleren nog aan. Sjaal en muts, en nog een fleecejas verder, wandelde ik alleen de zon tegemoet, aangemoedigd door schreeuwende meeuwen, één van de weinige diersoorten die op deze hoogte kunnen overleven. De brandende zon in mijn gezicht verwarmde en bracht mijn halflevende lichaam weer op aarde. Aan de andere kant bracht de oorverdovende stilte, die steeds minder werd onderbroken naarmate ik verder liep, verder van de vuilnisbakken rond de veste vandaan waar de meeuwen zich vooral ophielden, me in vervoering en ik realiseerde me dat dit de eerste keer is sinds lange tijd dat ik me buiten de beschaving, dat op een platform van geluiden rust begeef. Immense rust en geluidloosheid waren mijn buren nu en leeg en zo licht als een veertje ging ik vooruit, walking on sunshine… maar al snel realiseerde ik me dat het helemaal niet stil was, maar dat de lucht gevuld werd met geluidsgolven van wind, water, vogels, mijn eigen voetstappen.
De drie-daagse jeeptocht door het meest ongherbergzame gebied wat ik ooit gezien heb bracht prachtige vergezichten, vulkaanlandschappen, velden van vreemd geërodeerde stenen en andere natuurverschijnselen voordat we weer in de buurt van beschaving kwamen. Dit luidde het begin in van een reis door de tijd, op en neer, 13.000 jaar terug (toen de eerste Indianen Bolivia bevolkten) tot het heden. De eerste tekenen van beschaving kwamen de derde dag, toen we alweer een stuk in hoogte gedaald waren en niet al het water bevroren was. Deze beschaving, bestaande uit Indianen levend van landbouw en lama’s, woonde in stenen huisjes zonder voorzieningen, leefde van wat ze maakten en gebruikten voorwerpen die ze zelf fabriceerden. Het contact met de buitenwereld is nihil door het afwezig zijn van auto’s, goede verbindingsroutes en waarschijnlijk de mensen zelf. Echt alleen de jeep waar we in zaten, onze digitale camera’s en alle andere nieuwerwetse dingetjes die ons omgaven deed aan een andere wereld denken, onze wereld.
Uyuni – Sucre
Een enorme zoutvlakte verder, ik had inmiddels genoeg zoutvlaktes gezien om er nog van onder de indruk te raken, zou ik op de proef worden gesteld met m’n eerste busrit in Bolivia. De vrouw die ons de bustickets verkocht was even vergeten te melden dat we midden in de nacht enkele uren op een parkeerterrein van een busterminal halverwege zouden stilstaan, om vervolgens de busrit te hervatten. Echter, enkele uren werden al gauw meer dan 5 uur in een ijskoude, stinkende, overvolle bus met te kleine stoelen. Net op het moment dat mijn moeheid de slag van mijn irritatie begon te overwinnen, begon een Indiaanse man, zittend net voor me, en een Indiaanse vrouw, zittend aan de andere kant van de bus, zo’n 5 meter verder, een lange-afstands conversatie, waardoor irritatie haar troepen kon versterken en moeheid nog enkele uren onder de duim kon houden. Van dit soort dingen ga je niet dood en al na een aantal minuten in de prachtige stad Sucre werd dit nachtelijk drama vergeten. Een stad die alle originele gebouwen nog niet heeft verloren aan oorlog, aardbevingen of brand, rijk is aan marktjes en mooie pleintjes, goed verzorgde parkjes en kleine schattige straatjes. Een stad die aanvoelt als een drukke plaats, alles binnen loopafstand, door de glooiing waarop het gebouwd is af en toe nog wel vermoeiend. Dit is Zuid Amerika, dacht ik lopend door de levendige stad, warm door de altijd schijnende zon, rumoerig doordat alles op straat gebeurt, alleen slechts één mooie inheemse gezien.
Sucre – La Paz
La Paz was meer een stad die aan een hoofdstad deed denken van een arm land als Bolivia dan Sucre, maar beide steden maken aanspraak op deze titel. La Paz is groot, vies, vol met lelijke gebouwen en veel verkeer en onnoemelijk veel arme mensen die je proberen te beroven. Op een ingenieuze manier raakte Martijn zo zijn camera kwijt, nadat zijn tasje opengesneden was. De dag nadat we aangekomen waren in La Paz, hebben we doorgebracht ten noorden van de stad, waar we met mountainbike vanaf 4800 meter een afdaling maakten van 63 kilometer om vervolgens 3.7 kilometer lager uit te komen. Het eerste stuk was een asfaltweg, en er werden snelheden gehaald van 80 kilometer per uur. Het tweede stuk bestond uit een dirt road waar regelmatig, lees: om de drie weken iets de afgrond instort en daarom ook wel de gevaarlijkste weg ter wereld wordt genoemd. Het straatbeeld wordt dan ook bij nagenoeg elke bocht opgeleukt door kruisjes, beeldjes en bloemen. Het monument dat er neergezet was om 8 geliquideerde vrijheidstrijders te herinneren is dan ook een aantal jaren terug het ravijn in gereden door een bus met 43 Bolivianen, waarvan één overlevende.
De prachtige tour begon op het asfalt waar het adrenaline gehalte van ons bloed eens flink werd opgehoogd door de extreem hoge snelheden die we haalden. Na een wegblokkade van de Boliviaanse drugspolitie waar we gecontroleerd werden op grote hoeveelheden cocabladeren kwamen we na een uurtje of wat aan bij het zanderige gedeelte waar onze fietsen nog een keer op veiligheid gechecked werden en begonnen we aan de gevaarlijkste weg ter wereld. Op veel plekken is het zandpad zo smal dat er maar één vrachtwagen past. Als verkeer van boven het verkeer van beneden kruist moet de onderste vrachtwagen een stuk terugrijden naar een breder punt in de weg om zo de ander te laten passeren. Er is geen ruimte voor ook nog een mountainbiker dus je moet goed opletten en achter elke blinde bocht (en die zijn er tientallen) een vrachtwagen verwachten. Als je een vrachtwagen tegenkomt op een smal stuk weg moet je stoppen en aan de rechterkant van je fiets afstappen. Een aantal weken geleden deed een Frans meisje dat namelijk niet en de eerste grond die zij onder haar voeten voelde was 500 meter lager. Samen met Martijn reed ik voorop, logisch, aangezien wij beiden stalen zenuwen hebben. We hadden er gelukkig voor gekozen wat meer te betalen en hadden naast voor- ook achtervering waardoor onze billen gespaard werden en we extreem goede wegligging hadden. We reden achter onze gids aan en zonder angst (of misschien een klein beetje) ontweken we stenen en kuilen, doken we bochten in en vlogen we op 50 cm afstand langs ravijnranden. We genoten van de hoge snelheden, de adrenaline die ons door ons lijf gierde en van de prachtige vergezichten. Hoe lager we kwamen hoe warmer de lucht werd en hoe aangenamer het zonnetje begon te schijnen. Na een lange afdaling, bedolven onder een laag stof, konden we genieten van een biertje bij het zwembad en een heerlijk buffet.
‘s Nachts kwam dit buffet, door nog een aanval van hoogteziekte gecombineerd met extreme inspanning, er in omgekeerde volgorde waarop het erin ging weer uit (FILO voor de kenners).
La Paz – Copacabana
De laatste stop van ons Bolivia avontuur was Copacabana, zoals gezegd gelegen aan het hoogste meer ter wereld. Een rustig en leuk plaatsje met een een leuke omgeving, die per motor werd ontdekt, de beste manier, want je hoeft niet te trappen en je kunt nagenoeg overal heen. Een mooie boottocht werd ons ontnomen, doordat er niet genoeg toeristen waren en we zouden meer moeten betalen. Zonder pinautomaat werd dat lastig en de ochtend werd ingevuld met een aantal potjes schaak in de zon.
Copacabana – Cuzco
Het was zo’n succes, het motor rijden, afgezien van de nooit meer schoon te krijgen broek en trui, dat we vandaag, in Cuzco, meteen weer op zoek waren gegaan naar een motorverhuurwinkel om op deze manier de omgeving op een goedkope en veel leukere manier te ontdekken. Macchu Pichhu, hoe interessant en adembenemend het ook moge zijn, laten we voor wat het is, en we zullen ons toeleggen op de wat minder bekende, en bezochte, overblijfselen van de Inca cultuur die hier in de omgeving in overvloed zijn. Hierover, en het komende surf avontuur langs de Peruviaanse kust, waarschijnlijk weer over een weekje of meer. K.T.B. van Robag Wruhme luidt het einde van dit geschreven avontuur in, een mooi nummer om te eindigen.