woensdag 30 mei 2007

Me, My Buddha and I

Donderdag 24 mei.
Het kriebelt niet, het gras. Met mijn ogen gesloten lig ik in de schaduw die het bladerdek me biedt en absorbeer de zonnestralen die me wel worden gegund, bewegingsloos op. Ik lig lekker zo. Het is middag en na een kort introductie tot het Zenboeddhisme is er weinig activiteit. Men geniet van de omgeving, de zon en de rust. Sommigen slapen, zoals ik pretendeer te doen, anderen lezen of kijken voor zich uit. In de verte zie ik iemand wandelen over de verlaten weg, waar een half uur geleden een tractor overheen reed.

Een zware stem overstemt het zachte gekwetter van de vogels. “Thieme, schrijf je nog iets op over dit gebeuren?”, vraagt Tommie. Ik open mijn ogen, draai mijn hoofd, en besef me dat het te laat is om te doen alsof ik slaap. Slapende mensen draaien niet met hun hoofd, al zeker niet met hun ogen open. “Nou, oké dan”, zeg ik zonder er veel aandacht aan te besteden. “Maar ik heb geen blocnote”, probeer ik nog, maar weet dat ik het niet zo erg vind om iets te schrijven. Je moet zoiets een verrassing houden, want belofte maakt schuld. Bovendien zijn de verwachtingen minimaal, met alle gevolgen van dien.

Het is avond geworden. Na een middagsessie, het opruimen en de avond meditatie, die stil en onrustig tegelijkertijd verliep, is de “Grote Stilte” aangebroken. Ik zit buiten, een bos in de verte heeft net de zon opgeslokt, maar het uitzicht is nog prachtig. Roderick loopt aan me voorbij, z’n blik schiet langs me heen. Hij loopt door, richting de weg, die rustige weg. Hij blijft staan en kijkt in de verte. Hij ziet waarschijnlijk hetzelfde als ik, een paar spelende paarden, een enkele auto die geluidloos horizontaal het blikveld doorkruist, precies daar waar de hemel en aarde elkaar schijnbaar raken. Ik zie nog een auto links mijn gezichtsveld binnen schuiven, en fantaseer dat deze auto opeens een ritssluiting is, en de horizon open ritst, de aarde en hemel in tweeën splijtend. Ik weet niet wat er dan achter kan zitten, misschien wel een spiegel. Ik richt mijn aandacht op de vogeltjes, en dan vooral de spreeuwtjes die boven mij een nest hebben, in de bomen die de boerderij, het klooster, omgeven. Keer op keer gaan de vogeltjes naar een bepaald punt, vlakbij “de Eikenboom in de Tuin”, om eten te halen voor hun kroost. De laatste 20 meter wordt telkens afgelegd in zweeftoestand, misschien vanwege de mystieke krachten die het klooster omgeven. De vogels houden zich niet aan “de Grote Stilte”, noch de andere dieren, maar dat geeft niet. Stilte hoeft niet geluidloos te zijn, nee, ik bedoel eerder een innerlijke rust vertaald in aanwezigheid van geluiden die deze rust juist alleen maar voeden. Stilte in de afwezigheid van geluiden die deze rust verstoren. Hier heerst een mooie stilte. Hoorbare stilte. De stilte van getjilp en gekwetter, van babyvogeltjes schreeuwend voor een stukje worm, het verre geloei of gehinnik. De stilte van een koekkoek die “koekkoek!” roept, het gezoem van hommeltjes en bijtjes, een zacht briesje door de blaadjes van oude bomen. Stilte is ook te zien. Voertuigen die langs de horizon bewegen, te ver weg om te horen. Een landschap zonder huizen, een lege weg.

Niemand praat meer. Heerlijk. Heerlijk die stilte waarin je je kunt verstoppen, en niemand je lastig valt. Geen kale schrijver die met zijn charmes zelfs een doodnormale opmerking in een lachsalvo kan laten veranderen, afgeschoten door een peloton vrouwelijke aanbidders. Geen ellenlange verhalen met open einde. Geen interessante weetjes. Geen korte verhalen. Geen uitgesproken meningen. Geen leuke grappen. Geen vraag. Geen antwoord. Geen interferentie met mijn eigen woorden, mijn eigen gedachten. Tommie’s eigen gedachten. Hary’s eigen gedachten. Dolf’s eigen gedachten. Iedereen’s eigen gedachten. En dat is goed, want omgeven door geluid wordt Onze Geest stil. Pas in rust, maakt Hij geluid. “Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten, en zit in het binnenst van mijn ziel ten troon.” Mooie woorden van Rutger Kopland. Ik denk dat elke Geest of God het beste voor heeft met zijn lichaam, maar je moet Hem wel kunnen horen natuurlijk. Pas dan ben je koning.

Vrijdag 25 mei.
Vanochtend was het vroeg, maar ik was uitgerust. Ochtendgymnastiek bestond uit wandelen, en wat rek- en strek oefeningen. Vooral het wrijven over mijn buik gaf een bijzonder gevoel, maar misschien had dat te maken met het feit dat ik al aardig flatulent was geworden van alle goedaardige maaltijden. Het mediteren deed meer onrust opborrelen dan tijdens de eerste sessie gisteravond, maar wat me vooral stoorde was de verveeldheid. Toch, tegen het einde begon ik in te zien dat het normaal is, of althans, dat zei ik maar tegen mezelf. Het is normaal om je te vervelen, accepteer het. Het is normaal boos te zijn. Accepteer dat. Het is normaal om geil te zijn, accepteer ook dat. Het is normaal om iemand te begeren die niet je vriendin is. Accepteer. Het is normaal je te ergeren. Boos te zijn. Niet te begrijpen. Accepteren en weer terug naar af, is het devies bij meditatie. Af is je adem. Tipex voor je Geest, zolang je er maar op focust.

Ik zit weer in het gras, in de berm, uitkijkend in dezelfde verte. Een grote trekker schuift ongegeneerd door mijn stilte heen. Niemand praat, behalve met zichzelf. Tijdens twee praatsessies zijn woorden in gesproken vorm toegestaan. Tijdens de eerste behandelden we de basics van Zenboeddhisme, wat erg interessant is. Het is een erg mooie filosofie, zonder al te veel spiritueel gewauwel, als je het maar filosofisch blijft beschouwen. Alles is verbonden. Niks heeft een begin noch eind. Onwetendheid de wortel van het lijden. Het gaat erom je drijfveren te ontdekken, te kennen, en daardoor beter in staat zijn je eigen lijden, je eigen emoties, je sensaties te doorgronden en te beoordelen. En dan te accepteren. Ik kan vooralsnog zelfs niks religieus erin ontdekken, iets waar ik af en toe allergisch voor schijn te zijn. Mijn initiële enthousiasme is, na wat gepercipieerde teleurstellende momenten, weer terug. Vragen als “Wat doe ik hier?” en “Is dit het nu?” worden niet meer gesteld. Niet omdat ik er antwoord op heb gekregen, maar omdat die ergernissen die deze vragen tot gevolg hadden, onderdeel zijn van het programma. Omdat ze onderdeel zijn van het leven. En we ze dus nodig hebben om het leven te ervaren, en enigszins te kunnen doorgronden.

Het is het begin van de avond, het waait en het is bewolkt, maar niet koud. Een Peugeot 205, groen-metallic, scheurt voorbij en is snel weer uit het zicht en gehoor verdwenen. Verveelde “son of a farmer”. Ik vraag me af wat ik zit te denken. Ik weet het niet. Tommie staat achter me het pad aan te vegen, wat erg meditatief kan zijn. Als je het pad aanveegt, ben je aan het vegen, niets meer. Je moet hier volledig gefocust zijn met datgene waarmee je bezig bent, zelfs bij een geestelijk weinig inspannende bezigheid als vegen. Ik heb daar nooit zo over nagedacht. Ik weet niet waar de grens ligt, maar ik kan me voorstellen dat als je dag in dag uit moet vegen, dat je mogelijke opgedane meditatieve of spirituele rijkheid, direct wordt overstelpt door de geestelijke afstomping. Teveel van het goeie is nooit goed, en de waarheid ligt vaak in het midden.

Het is het einde van de avond, het begin van de nacht. Al het begin is al het einde. Aan al het mooie, komt dus ook een begin. Morgenochtend een nieuw begin. De buschauffeur komt ons uit deze steriele omgeving rukken, deze couveuse voor de Geest, om ons dan nietsontziend weer in ons uit begeertes en geluid bestaande wereldje te werpen. Niets menselijks is ons vreemd, en dat is dan ook geen ramp. Ik moet de komende periode maar eens kijken of ik die rust ook in me kan oproepen, die me de afgelopen dagen zo gelukkig maakte, wanneer ik “terug” ben. Blaadjes in de bomen hoog fluisteren elkaar nog zachtjes iets toe, voordat ik de deur achter me dichttrek, en de hendel loslaat.