Naast me zijn twee mannetjes porno aan het bekijken op hun computerscherm, zonder gêne, maar met veel geluid. Ze lachen hard, maar het doet me niks, ik geloof er niet in, het blijft een serieuze aangelegenheid zonder doekjes. Alweer meer dan drie weken geleden daalde ik af, terug naar zeeniveau, het niveau van de zee. Omdat valium hier gewoon zonder recept verkrijgbaar is, was de 20 uur durende busrit goed te doen en leek het net een ritje naar oma Ommen toen ze nog in Overijssel woonde. Vanuit Cuzco, waarschijnlijk de mooiste stad van Peru, tevens de meest toeristische, bracht het ons naar Lima, waarschijnlijk de lelijkste en meest vieze stad van het land, waar meer dan 8 maanden per jaar een ongezellige zeenevel als een grijze sluier het zonlicht van de bewoners ontneemt. Ook mijn astma begon hier chronische vormen aan te nemen, dus na een warm welkom van Marleen (een vriendin van reisgenoot Martijn) en een ochtendje surfen ten zuiden van de stad, kwam een even vluchtig en hartstochtelijk afscheid met de belofte terug te komen en pannekoeken te bakken en te voetballen met straatkids. Weg uit de smog, de rumoerige stad met teveel verkeer en te weinig mooie gebouwen, gezellige steegjes en te doen, en op naar anderhalve week eindeloze golven, schone lucht, gedenkwaardige surf en een jointje op z’n tijd.
De kust van Peru is woestijn, meer is het niet, minder ook niet. Na een nachtelijke busrit door het lege landschap, kwamen we aan in een grijs dorpje ergens in het midden van Peru. In de armere dorpjes van Peru, waarvan dit er één was, is het gros van de huizen onvoltooid vanwege belastingtechnische redenen. Overal steekt dan ook de bewapening boven de huizen uit en ertussen hangt de was te drogen, wat het uitzicht tenminste een beetje kleurt. Ook dit dorpje zou vanuit de lucht gezien met een spijkerbed worden verward, vooral als het regent (zoals wanneer we aankwamen), want dan hangen er geen kleren te drogen. Na ‘s ochtends vroeg ruzie te hebben gemaakt met enkele taxichauffeurs, ze deden moeilijk, uiteindelijk met een 40 jaar oude amerikaan richting de eerste surfspot van de trip. Omdat ik ‘s nachts in de bus al een beetje last van m’n maag had, kwam de bruine waterval, overstemd door trompetkwartet, met afwisselend hobo en dwarsfluit, niet onverwachts. Het leek me verstandig om maar even niet te eten, omdat het niet van beleefdheid betuigt wanneer je een geleend wetsuit viesmaakt. Dat mijn blaasconcert erg krachtig was, bleek wel toen ik weer buiten stond en nagenoeg alle wolken weg waren geblazen, en een stralend zonnetje neerkeek op ons terwijl we de eerste golfjes van die dag te grazen namen. Het gestuntel van de dag ervoor (in mijn geval dan, Martijn is een volleerd surfer, zeker op zijn nieuwe plank), werd gedurende de dag, waarbij de swell toenam tot zo’n 2 meter, een gracieuze dans op de golven en met een glimlach op onze gezichten pakten we ‘s avonds de nachtbus die ons naar het uiterste noorden van het land zou brengen, nog dichter bij de evenaar en de hitte.
Het plaatsje waar we verbleven, Mancora, was een wat toeristischer beachresort, waar de golven door een andere golfstroom iets kleiner en minder krachtig waren, waardoor we genoodzaakt waren om met een stonede oude natuurfreak/surfer/whalewatcher de betere golven te gaan opzoeken op het meest westelijke punt van Zuid-Amerika, punto Lobitos. Gelegen aan een militair oefenterrein, waarbij het half kapot geschoten spookstadje, met casino en al, enigszins Bosnisch aandeed, was dit de plek waar de beste surf van de hele trip was. Onze surfhonger werd gestild met een feestmaal van prachtige rollers tot 3 meter hoogte en enkele honderden meters lengte. Onze fysieke geteldheid werd ook niet heel erg op de proef gesteld, aangezien aan het einde van de surfrit je het strand oploopt en het hele stuk tot de rotsen terug kan lopen om je daar gewoon in de branding te gooien en weer opnieuw te beginnen. De enorme zandduinen die de baai omgaven, de olieplatformen in de zee, het kapotgeschoten dorpje en de eenzame uitgestrektheid van de plek gaf het een mystieke en prachtige sfeer. De perfecte golven, keer op keer, het heerlijke water en prachtige uitzicht werkten bijna hallucinerend. Mooie herinneringen vergezelden ons naar de laatste surfspot, een wereldberoemde surfspot genaamd Puerto Chicama. Ook dit dorp was verstoken van schoonheid, maar de enige rede om erheen te gaan, de langste golf ter wereld, was voldoende om ons enkele dagen bezig te houden. De golf is in weze ook ongelooflijk, wanneer er een goede swell is, wat het was in ons geval, worden de drie opeenvolgende golven één golf en zijn er theoretisch surfritten van minuten en kilometerslang mogelijk. Daar het mij aan voldoende ervaring en conditie ontbrak en zelfs Martijn af en toe moeite had met de golven, werden de golfritten ingekort tot ‘slechts’ een halve kilometer, waarna de volgende golf werd gepakt, net zolang totdat je een paar kilometer gesurft hebt en je de avondvierdaagse terug kan lopen. Niet alleen aan ervaring ontbrak het, maar ook aan surfschoentjes, waardoor ik uiteindelijk met kapotte voeten terugkeerde in Lima. Na een misschien nog wel warmer welkom en een verblijf van twee dagen (heerlijk filmpjes gekeken op de bank), was het tijd voor het volgende avontuur, de Amazone in.
De mooiste stewardess die ik ooit ontmoet heb, tevens mooiste meisje dat ik tot nu toe gezien heb in Zuid-Amerika, zittend tegenover me bij de nooduitgang, zorgde ervoor dat ik in 3 uur tijd precies 1 bladzijde verder ben gekomen in m’n boek. Niet zonder resultaat, aangezien ze me na de vlucht, aangekomen in Iquitos, al haar gegevens gaf, voor het geval ik nog een keertje terug zou komen naar de lelijkste stad van Zuid-Amerika met het mooiste meisje van Zuid-Amerika. Ik bedankte ervoor en gaf haar een zacht zoentje op de wang omdat ze aan het werk was..
In Iquitos verbleven we één dag, aangezien de dag erna de boot richting Leticia vertrok. Twee dagen lang voeren we over de Amazone, langs Indianendorpjes (even zwaaien), hangend in onze hangmat, schaak spelend tegen een Portugeze fotograaf die al anderhalf jaar aan het reizen is en écht de hele wereld over is geweest, lezend en turend naar de eindeloze groene oever. Leticia is een leuk klein dorpje op de grens van drie landen; Peru, Colombia en Brazilië en de enige rede om hierheen te gaan is om de Amazone in te gaan.
Na drie dagen in de jungle van de Amazone, waarvan ik één nacht verbleef bij Indianen en een andere nacht alleen op pad ging de jungle om daar te proberen te slapen loopt mijn hoofd over van de indrukken. Tegenover de fantastische leegheid, droogheid, stilte en eindeloosheid van de hoogvlaktes van de Andes een maandje terug staan de oorverdovende geluiden van de dieren, de ondoordringbaarheid van de jungle, de veelheid en overvloed van alles van de Amazone. Overal fruit voor het oprapen, medicenale en hallucinerende kruiden en planten, bloemen en eeuwenoude bomen, papegaaien, andere vogels en insecten schreeuwend om het hardst, miljoenen vuurvliegjes, licht genoeg om een boek te lezen (eerst africhten), slangen, vissen, kakkerlakken zo groot als je hand, roze en grijze dolfijnen, krokodillen, apen, muggen, mieren. Erg bijzonder was het om te verblijven in een indianendorpje, waar ze een levensstijl op nahouden die al eeuwenlang nagenoeg onveranderd is gebleven. Vis vangen, groente en fruit verbouwen en opeten luidt het credo. Toen mijn gastheer, een ontzettend vriendelijk oud mannetje zonder tanden, zich ‘s avonds tijdens de maaltijd (piranha en andere vis die we ‘s middags zelf hadden gevangen) zich verontschuldigde voor de armoede, antwoorde ik hem dat ik vond dat hij en z’n familie een rijker leven leiden dan veel mensen met een inkomen duizendvoudig aan die van hem. Deze mensen hebben geen zorgen, leven van dag tot dag en leven in en van de natuur, al eeuwenlang. Ik zei dat dat zijn rijkdom was, dat hij geen geld nodig heeft om zijn zorgen weg te kopen, omdat hij er gewoonweg geen heeft. Na deze maaltijd gingen we zonder succes op jacht naar kaaimannen (voor het ontbijt), in zijn boomstam met peddels over kleine riviertjes, verlicht door het felle maanlicht en de vuurvliegjes. Een prachtige ochtendwandeling verder (de jungle is één groot museum), waarbij ik vergeten was insect repellent op te doen (afrader), een supergiftige slang verschalkt had, zat ik alweer in de boot voor mijn solo-avontuur, alleen de jungle in om daar te slapen. In het verleden is er slechts één persoon alleen de jungle ingegaan (in het national park waar ik was) en die is pas 2 weken later ijlend teruggevonden in Brazilië. Vertrouwend op mijn richtingsgevoel en met een klein beetje angst ging ik dus het donkere bos in, het was al tegen zonsondergang, om mijn slaapplek van die nacht uit te kiezen. Beschermd door een erg goed muskietennet zat ik daar, lekker aan het contempleren totdat ik in slaap viel. Het nachtelijk bezoek bestond uit een aantal aapjes die nieuwsgierig aan mijn muskietennet trokken, maar ze vluchtten meteen weg toen ik wakker werd. Mijn kennismaking met de volgende dag bestond uit het belangrijkste kenmerk van een regenwoud, regen, en niet een klein beetje. Mijn spullen bij elkaar pakkend (zwart van de mieren) en hangmat met muskietennet onder de arm, vertrouwend op mijn postduiveninstinct ging ik richting een indianendorp, nog zo’n twee uur lopen in de regen, het was koud en toch wel spannend door de vele verschillende paadjes. Omdat ik wist waar het dorp lag in relatie met een zijrivier, besloot ik eerst de rivier op te zoeken, om daarna noordwaarts te trekken totdat ik bij het dorp zou komen, dat leek me het veiligst. Al redelijk snel, na een klein uurtje, kwam ik, doorweekt en koud, aan bij de rivier, waar op dat moment een paar indiaanse kids aan het schuilen waren in een bootje. Ik had het wel gehad en vroeg of ze me naar het indianendorpje wilde brengen, wat ze wel wilde. Na deze spannende tocht (het had ook anders kunnen aflopen natuurlijk), nam ik de eerste boot terug richting Leticia.
Nu, droog en veilig, in de bewoonde wereld, ga ik een andere wereld bezoeken. Ongeveer een kilometer buiten het dorp schijn je jezelf te kunnen reinigen in een eeuwenoud indianenritueel dat ‘ayahuasco’ of iets dergelijks heet. Daarbij schijn je ook nogal te gaan hallucineren, iets wat meer mijn interesse opwekt, aangezien ik vanmiddag nog gedoucht heb. Ik ben benieuwd wat ik allemaal ga hallucineren, ik laat het wel weten.
Morgenochtend vlieg ik naar het uiterste noorden van Colombia, waar ik nog wat avonturen ga afwisselen met tentamens leren (ja, het gewone leven begint er weer aan te komen..:().
Tot over een paar weekjes!